Een kus om een droom op te bouwen

Een terugblik op de Tweede Kamerverkiezingen 2017.

In mijn kledingkast, op de stapel afzichtelijke truien, ligt een versleten blauwe Madrid trui. Het is een favoriet. Als ik haar aantrek sluiten de mouwen met gemak om mijn polsen. De kraag comfortabel en veilig om mijn nek. Het is de trui die ik aanheb als ik me zelfverzekerd en macho wil voelen in gezelschap. Het is niet mijn trui.

Mijn beste vriend geeft hem aan me omdat hij er zelf van af wil, in een “vuilnisbak of hou maar” gebaar, met weinig achting op de consequentie er van. Nu onvermijdelijk, denk ik elke keer aan hem als ik haar draag. Zelfs zijn studentenbudgetcologne ruik ik nog lang nadat wasmiddel elk spoor heeft uitgewist. De trui is een omhulling van een vroege ik, een ik die zich voornamelijk onder witte en heterovrienden bevindt, zichzelf ook zo acht en die een trui aanneemt in een vuilnisbak of hou maar gebaar.

Soms vraag ik me af of het te begrijpen is voor mensen die niet geadopteerd zijn, die onveiligheid die ik voel in mijn dagelijks sociale contact. De onzichtbare muur, strak om mijn lijf, die me er van weerhoudt om ergens te aarden. Het ontbreken van een, veronderstelde, basis van rust en kalmte in de toch al gehaaste race voor erkenning en acceptatie van leven in Nederland. Het dichtst bij een dergelijke rust kwam ik in mijn studententijd, toen ik een piek van heteronormatieve hiërarchie trachtte te bekleden.

Op een zolderkamer in een volkswijk in Zwolle woon ik samen met de beste vriend. Daar ben ik gelukkig, zover twee heteroseksuele jongen mannen emotioneel beschikbaar genoeg zijn om platonisch gelukkig te kunnen zijn. Dagelijks drink ik mezelf lam en versier ik vrouwen, te bang om jongens te kussen. Alles is een sarcastische grap, zo vlot dat niemand de tijd heeft om te raden of ik het meen of niet. En ik stem op Mark Rutte want politiek is mijn aandacht niet waard. Niet zolang ik die kan besteden aan mijn kleine clubje van intelligente, lieve en uitsluitend witte heterovrienden. Het is, in alles, een overlevingsstrategie. Een wit masker, zoals Fanon beschrijft, om mijn bruine huid, mijn homoseksualiteit, te verbergen. Om te slagen in een wereld die witte heteronormativiteit beloont met het gemak en comfort van een versleten blauwe trui.

Zeven jaar later hang ik posters scheef op in een achterruimte van een Amsterdams café. Ik wil er niet zijn vanavond. Het onheil gutst als stress door mijn lijf. Mijn hunkering voor acceptatie, mijn sociale leven, alle vrije uren, heb ik opgeleverd aan dit. Een politiek statement dat racisme en seksisme bestrijdt in een klimaat dat het meer dan nodig heeft. En het gaat falen.

Tijdens de korte periode dat ik me naast mijn #Twitteractivisme voor Artikel 1 inzet, is er niemand wie ik zo vol verbijstering blijf volgen als Sylvana Simons. Er zijn vele vrouwen van kleur die, in de paar maanden dat ik publiekelijk alles en iedereen durf te veroordelen wat niet expliciet antiracistisch is, me aanmoedigen en inspireren. Die zelf alles geven in hun strijd voor sociale rechtvaardigheid en van wie ik alles heb geleerd. Daarom sta ik er: voor een doel groter dan ikzelf. De studententijd lang vergeten, de beste vriend slechts een wond in m’n hart met de groeten van gender, seksualiteit en ras, en de cliché homodroom van verhuizen naar Amsterdam gesmolten onder de koude douche van een homosauna. Tussen de app berichtjes, de snelle telefoontjes en gedeelde idealen met Simons door, weet ik: haar zelfverzekerdheid en doorzettingsvermogen waarmee ze een kleine beweging heeft opgebouwd, kan ik niet evenaren. Hoewel ik elke inhoudelijke vergelijking met Obama verwerp, blijft de zin van Ta-Nehisi Coates in mijn hoofd dwalen als ik haar die avond zie stralen: “(s)he walked on ice and never fell”.

Hoewel mensen zullen beargumenteren dat ze wel degelijk onderuit is gegaan, kan ik het niet zien. Honderden (waren het duizenden?) berichten via Facebook en Twitter heb ik voorbij zien komen in slechts één maand tijd met allerlei verwensingen en witte fragiliteit geadresseerd aan Simons. Nooit is er een moment, tussen de app berichtjes, de snelle telefoontjes en gedeelde idealen door, dat ze op me overkomt alsof ze er door geremd wordt. Inderdaad, de gehele avond, terwijl de verkiezingsuitslag voorzichtig gefluisterd wordt en de droom van een zetel stilletjes de kamer verlaat, stopt Simons niet met glimlachen. Wat was het, voorbij haar carrière als presentator, dat ze niet de aanstormende wanhoop voelde waar ik de opvolgende dagen aan onderdoor zou gaan?

Speeches worden voorgedragen, liederen gezongen, dankwoorden uitgesproken.  Maar, zoals Simons later zou schrijven op de website, “droevig wilde het maar niet worden”. Ondertussen val ik terug op de enige gewoontes die ik nog meedraag uit mijn vorige leven: alcohol en seks. Ik scan de kamer en zie een knappe jongen, maar zien dan opeens ook: ik word omringd door schrijvers, activisten en artiesten. Door vrienden die nog meer dan ik alles hebben gegeven om een nationale politieke verschuiving naar rechts, die ons allen zal belemmeren, te voorkomen. Het is ons niet gelukt en toch kunnen we niet stoppen met het leven vieren. Ik zie de jongen weer en vraag hem ten dans. Hij zegt “ja” en zo geschiedde.

We dansen uitvoerig en wellicht niet zo goed als we zelf denken. In spontaniteit van geluk geef ik hem een kus op de wang. Maar zoals altijd springen de voelsprieten omhoog. Ziet iemand het? Zouden we veilig zijn? Werd het wel geaccepteerd? Gedachtes die zo instinctief door mijn hoofd schieten dat ik er niet van opkijk. Maar, wellicht voor het eerst, ebben ze ook weer weg. Hier dans ik als bruine homoman met een zwarte homoman tussen witte, bruine en zwarte mensen. Tussen hetero’s en lesbiennes, tussen mannen en vrouwen en non-binairen. We lachen, we knuffelen en we swingen de nacht in op het meest intersectionele politieke feest in het land. Dan pas voel ik het. Hetgeen waarom Simons de volgende dag glimlachend op een terrasje kan zitten om de uitslag te bespreken. De innerlijke rust van geborgenheid. De heling van thuis zijn. De zelf-acceptatie waar geen kracht van buitenaf tegenop kan. Zo sterk dat je nog kan dansen als een droom in duigen valt omdat je diep van binnen weet: dit is pas het begin.

De volgende ochtend sla ik, met een flinke emotionele en fysieke kater, de kastdeur open en pak zonder er bij na te denken de blauwe Madrid trui. Ik staar er naar, het lachen inmiddels vergaan. Ontnuchterd trek ik hem aan en vertrek naar mijn werk. Verder bouwen.

Advertisements

One comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s