How I Met My Mother

Hier zit ik dan. Achterop een scooter rijdend over een koperkleurig zandpad, omkijkend naar een huilende vrouw die in het midden van de weg staat en mij nakijkt. Ze is ielig, met ingevallen wangen en mijn ingebogen schouders. Het wit van haar bloemetjesblouse steekt af met de felle kleuren op de achtergrond. Het is de vrouw die mij vijfentwintig jaar geleden ook al moest laten gaan. Ik hou me ongemakkelijk vast aan de losse, roze stof van het shirtje van mijn oudere zus. Ze wilt graag een eindje met me rijden op haar pasgekochte scooter. Het rijbewijs heeft ze net een week. We scheuren over het oneindige onverharde pad met aan weerskanten prachtig groen. Het soort dat ik vooral ken van The Jungle Book; palmbomen, varen en felgroen gewas. Tussendoor staat af en toe een uitgemelgerde koe het kleine stukje loopruimte dat ze heeft na te speuren op eten. Er liggen straathonden te slapen of op wegafval te knagen. Af en toe flitsen huizen voorbij die in Nederland als villa’s bestempeld zouden worden ware het niet dat deze onafgemaakt en onverzorgd zijn. Mensen op andere scooters kijken me doordringend aan alsof ze weten dat ik hier niet thuishoor. Ik kijk naar de wegen en mensen die ik had moeten kennen. Een prettige warme wind blaast door mijn gelloze haar en eventjes waan ik mezelf in innerlijke rust. Het doet me denken aan alle tripjes achterop de scooter van mijn beste vriend door het landschap van mijn jeugd. Hoe leeg je hoofd kan zijn als je alleen de wind om je oren en de weg voor je hebt. Het gevoel zou ik dus sowieso gekend hebben. Een eekhoorntje ontwaakt me uit mijn mijmer en schiet plots over de weg het gewas in voor de scooter hem raakt.

Iets schiet er over de weg en nog net voor het verdwijnt in de berm zie ik dat het een eekhoorntje is. Naast me in het busje, aan de rechterkant waar in deze voormalige Britse kolonie de bestuurder zit, geeft een vrolijke man genaamd Asanka nog even gas. Hij is goedlachs, met stekeltjes haar en een beginnende obsessie voor zijn iPhone. Hij is onze gids en vertaler. Ik ben net onwaakt uit mijn diepe slaap door wat voelt als een tik op mijn schouder. Mijn moeder lacht verontschuldigend vanaf de achterbank. Ik probeer een vlaag van ochtendhumeur te onderdrukken. Het is tenslotte al bijna middag en deze dag draait geheel om mij. Wakker zijn is wel het minste wat ik kan doen. Het wiegen van de bus vertelt me dat we al lang niet meer op de grote weg zijn, maar juist ons doel naderen. Ik kijk om me heen. De spanning slaat toe. Elk huisje dat ik aan mijn zijde zie kan het eindpunt zijn. Gelukkig neemt Hollandse nuchterheid het over. Inderdaad, we rijden nog een goed half uur langs verschillende bouwprojecten met dieren en starende mensen. Als Asanka dan eenmaal het witte busje in een oprit rijdt, is bij mij de spanning er af.

In de verte op het erf zie ik twee mannen kijken. Ik herken ze niet. Uit het huisje stapt een vrouwtje, maar ik vang slechts een flits van haar gezicht op. Plichtmatig schuif ik uit de auto. Eigenlijk heb ik dit moment niet echt goed doorgedacht. Wat moet ik zeggen? Moet ik iets doen? Verras ik haar binnen? Wat is hier het protocol? Spoorloos, mensen. Spoorloos is het protocol. Want voor het vrouwtje goed en wel bij het busje is, barst ze al in huilen uit. De bekende hand voor de mond van ongeloof maar verder een nederig, zacht gemurmel dat ongetwijfeld Singalees is, maakt het welbekende TV-plaatje compleet. En liefde. Heel veel liefde. Het vrouwtje, dat ik nog steeds niet goed bekeken heb, klampt zich aan mij vast. Ik sla mijn armen om haar heen. Is mijn grip te sterk? Of juist te intiem? Again: protocol iemand? Yanaki, zoals mijn biologische moeder heet, maakt het al niets meer uit. Ze huilt hard in mijn armen en voelt mijn gezicht alsof ik niet echt ben. Ik schaam me voor mijn boeren lompheid, maar bij een overvloed aan emotie schakelen die van mij zich automatisch uit, als een dier dat dood speelt met gevaar in de buurt. Dus word ik omhelst met alle liefde die deze wereld te bieden heeft en hou ik het even subtiel vast als een aardappelzak. Even vervloek ik mijn eigen onhandigheid maar dan word ik afgeleid door een frisse geur. Ze heeft haar haren net gewassen. Eindelijk kijk ik in haar gezicht.
 Yanaki’s ogen zijn bloeddoorlopen, zoals die van mij ook vaak zijn. Bij mij meestal van de alcohol of gebrek aan slaap, maar ik vermoed bij haar vanwege het huilen. Verder lijk ik niet echt op haar. Haar gezicht is streng. Haar lach, klein en dun. Eigenlijk haar hele lichaam valt onder die beschrijving. Ze komt bij mij tot mijn borst. Of in ieder geval de onderkant van mijn korte mouw, die doordrenkt is met haar tranen. Ik weet niet wat ze zegt maar het is lief en vrij van schaamte. Twee eigenschappen die mijn woorden zelden bezitten. Toch voelt het vertrouwd. Ergens had ik verwacht dat ik iets van mij in haar zou herkennen. Een trekje, een beweging, maar dit is in alles een dankbaar mens, de ultieme tegenkleur van mijzelf. Mijn zusjes komen er bij, ieder een kind op de arm. Het oudste zusje, Parimali, kijkt met dezelfde blik als onze moeder: vol liefde en ongeloof. Mijn jongere halfzusje, Dulani, is meer zoals ik. Als onze moeder met een strenge toon tegen haar praat en naar mij wijst, gok ik dat ze Dulani beveelt mij een knuffel te geven. Ik begrijp haar terughoudendheid. Misschien heeft de jonge moeder wel werk af moeten zeggen voor vandaag. Ze heeft net zo min gekozen voor een oudere broer die terugkomt van weggeweest als ik voor adoptie. Met herkenbare tegenzin geeft het kleine maar holy-shit-wat-mooie meisje mij een afstandelijke knuffel, het jongetje op haar arm duikt verlegen weg. Ik mag haar nu al.

Yanaki begeleidt ons langs rijen met felgekleurde bloemen en potten met planten die voor het pietoreske huisje staan naar een schattig bankje onder palmbomen. Het valt me op dat het zand in paralelle lijnen getrokken is. Heeft ze werkelijk alles geharkt voor mijn komst? Het huisje dat er staat, is zoals je ze vroeger tekende op de basisschool. Driehoekig dak, deze gemaakt van ijzerplaten om de regen te begeleiden tijdens de mousson, en een vierkant gebouw van grove rode bakstenen. Het kon niet idyllischer. Behalve dat er geen deuren zijn en de binnenkant verdeelt is in drie ruimtes, ieder de helft van mijn Amsterdam kamer. De twee muren die wel tot het dak reiken, zijn bedekt met kalenders van recente jaren, maar geen één staat op de huidige datum. Op de grond van de woonkamer, die ter breedte is van het hele huisje, ligt zwart zeil. Verder staat er een bed en een tafel met wat stoelen. Om niet denigrerend over te komen complimenteer ik alles wat ik zie. Ik zit nog in die ruis van lompheid dus ik ben vrij zeker dat mijn enthousiasme niet overkomt. Ik kan alleen maar vriendelijk lachen. En niet die nep-Manju lach die ik altijd aan mijn gasten of irritante collega’s geef, nee deze komt van een vreemd gevoel van binnen. Blijdschap? Mijn twee moeders omhelsen elkaar huilend. Ik, de eeuwige zitzak, kijk naar deze twee vrouwen die elkaar nu bedanken voor het liefhebben van mij en vraag mezelf af of dit een moment is dat ik had moeten huilen. Tegen de muur van het huis zie ik een hark staan. Mijn twee zusjes lachen allebei vriendelijk, zelfs de jongste. Een lach verschijnt ook weer bij mij. Plots moet ik zitten op het bankje. Zitten is min of meer de verplichting als gast zijnde bij Sri Lankanen, kom ik later achter. Eindelijk een protocol waar ik me in kan vinden. Een van de vele fotosessies van die dag volgt. Beide van mijn moeders en zussen komen er bij zitten en ik sla armen om mensen die ik net ontmoet heb. Maar oprecht lachen kan ik.

 De twee mannen bleken mijn zwager (man van mijn jongste zus) en een vriend te zijn. De laatste stelt zich niet voor en neemt al snel de scooter. Gelijk heeft ie. Als de groep eenmaal rustig zit en het gesprek op gang is gekomen, wat al moeilijk is zonder een tolk die steeds telefoontjes moet opnemen, komen we al snel op de voorbestemde onderwerpen. Wie was mijn vader? Waarom werd ik geadopteerd? Mijn adoptie moeder barst weer in huilen uit. Ik krijg wekelijks, al dan niet dagelijks op drukke werkdagen, de vraag over hoe mijn adoptie tot stand is gekomen. Het verhaal moet wel zijn aangedikt door de jaren heen en ik zelf kan niet meer precies onderscheiden wat ik verzonnen heb en wat mij ooit verteld is. In ieder geval is alles halfwerk geweest. Yanaki stond inderdaad voor de keuze om mij te laten adopteren omdat ze in haar eentje niet voor twee jonge kinderen kon zorgen. Niet uit schaamte voor wat de rest van het dorp zou denken, zoals mij altijd verteld is, maar omdat haar oudere broer (inmiddels overleden) aandrong dat de last te groot zou zijn. Dus met tegenzin en pijn in het hart stond Yanaki mij af. De rest is geschiedenis. Ik heb altijd te horen gekregen dat mijn vader overleden was en dat mijn moeder me nog een keer wilde zien. Het spreekt boekdelen dat mijn moeder me wilde hebben, bewust heeft afgestaan en bewust weer om me vroeg. Het verlichtte me van de wroeging en drang die zo veel geadopteerde mensen, die niet weten waar hun ouders zijn, voelen. Asanka vertelt dat ze in alle jaren dat hij haar bezocht heeft namens de stichting Health & Happiness, die sinds mijn adoptie hulp biedt aan mijn moeder, nog nooit om geld heeft gevraagd. Haar enige wens was om haar kind nog een keer te zien voor ze stierf. Ik kende het verhaal al en nu weer klinkt het als iets dat Asanka aan elk adoptiekind dat hij begeleidt zou vertellen. Maar ja, ik ben nou eenmaal een sucker voor dit soort moraal. Ik was gewild, nu nog steeds. In die wetenschap heb ik altijd geleefd en het was veelal de reden dat ik ook geen behoefte had voor antwoorden. Echter, toen mijn enige echte vader stierf en het leven me even de nodige noodzaak in me sloeg, begreep ik pas het gewicht van mijn moeders wens. Vooral: hoe deze zwaarder woog dan mijn gebrek aan nieuwsgierigheid.

Het is een zwoele herfstavond in 2014 en ik zit in een romantisch verlichtte binnentuin in het charmante Brugge. Op bezoek bij Mevrouw Wiltenburg die hier net haar jaar studie is begonnen. Waar Mevrouw zelf is op dit moment in de geschiedenis kan ik me niet precies meer heugen. Wel weet ik dat ik met een gezond stel aangeschoten hersens in een diepe discussie zit met een groep internationale studenten over mijn adoptie en ik moet nodig naar de WC. Mijn adoptie is altijd een publiek onderwerp geweest. Je weet wel, net als je relatiestatus of je carrière; iedereen heeft er een mening over en zij gaan wel even vertellen hoe je je er bij moet voelen. Zo ook hier. Ik zit aan tafel bier te gieten met een groepje waarvan er slechts twee Ieren praten. Kate, een roodharige met begeleidend classy accent, die mondig genoeg is om een Fortune 500 bedrijf te runnen, beargumenteert dat ik absoluut rekening moet houden met de gevoelens van mijn adoptiemoeder en haar wens om mij te zien. Paul heeft een harde mannenkin maar luchtblauwe ogen en is een goede vriend van Moni. Hij is het roerend met Kate eens maar neemt een iets psychologische toenadering: hoe zou ik me voelen als mijn moeder stierf zonder mij ooit nog eens gezien te hebben? Het is een vraag die de gevoelige snaar raakt. Niet alleen omdat ik dit jaar voor het eerst pas echt ervaren heb wat dood eigenlijk is, maar ook omdat het de juiste persoon op het juiste moment was. Ik heb dan al de hele avond een goede klik met Paul en hij is ongetwijfeld intelligenter dan ik. Mijn standaard riedeltje waarmee ik mensen afpoeier (nee, geen behoefte aan, ben gelukkig hier, heb m’n handen al vol aan één zus LOLOL) werkt nu niet. Ze zijn vastberaden, waarschijnlijk schaamteloos door de alcohol, om mij deze kant van het verhaal te laten zien. De zin die ik altijd hoorde spookt nu weer door m’n hoofd. “Voor dat ze doodgaat wilt ze haar kind nog eens zien” of iets in die trend. Als dat een wens is van iemand aan wie ik mijn leven dank, en ik die zonder al te veel moeite kan vervullen, hoe lang kan ik dan nog doorgaan zonder dat te doen? Ik geloof niet zo dat je mensen ontmoet voor een reden. Daarvoor ontmoet je te veel mensen. Ik wil Paul en Kate ook niet te veel credit geven, maar het hielp dat ze vreemdelingen waren. Want vanaf dit moment heb ik eigenlijk voor mezelf besloten dat ik hetgeen zou doen dat ik al 24 jaar riep nooit te gaan doen: mijn moeder opzoeken. Gepikeerd dat deze vreemden degenen zijn die me van mijn koppigheid afhelpen sta ik op en beëindig ik het gesprek. Waar is de WC?

Ik zie een angst in de ogen van Yanaki. Singalees is een mompelende taal waarin bijna niets terug te horen is van de eeuwen aan Europese overheersing. Bijna want “toilet” is universeel, blijkbaar. In een spoedberaad tussen Yanaki en mijn zusjes valt het woord regelmatig. Ik vroeg alleen of ik naar de WC mocht aan Asanka. We hebben bijna vier uur gereist en ik heb zojuist een halve King Coconut leeggedronken. Het is een enorme oranje vrucht die bomvol vitamines zit. Geen wonder dat iedereen er hier zo gezond uit ziet: waar wij twintig mandarijnen voor moeten doorpleeuwen, groeit hier gewoon in de achtertuin. Tot teleurstelling van Yanaki is er geen andere oplossing: ik moet gewoon in het buitenhuisje. Aan de zijkant van het woonhuis word ik gewezen op een klein wit huisje dat naast een leegstaand pand staat. Ik vind het prima. Maar terwijl ik door het dorre gras buiten de omheining loop, hoor ik achter me gegiechel. Ik zie mijn zusjes en een zenuwachtige Yanaki verontschuldigend naar me lachen van achter het huis. Ik begrijp meteen dat iedereen vermoed dat ik de toilet niet aankan. Misschien denken ze dat WCs in Nederland gemaakt zijn van goud of hebben ze door dat ik een verwend nest ben. Maar het ongemak en de schaamte is tastbaar. Nu, ik heb The Hills Have Eyes gezien en ik ben op Pinkpop geweest. Een vierkante kubieke toilet kan me niet meer bang maken. En inderdaad, het middeleeuwse gat in de grond ziet er schoner uit dan het toilet in mijn studentenhuis. Ik vertel dit alles omdat ergens in de serie The Newsroom de denigrerende grap wordt gemaakt: “they don’t have running water but they have Facebook” refererend naar Afrika. Het is toepasselijk hier. Er is elektriciteit en GPRS internet, maar geen riolering. Parimali heeft een Samsung Galaxy Tab 3, maar Yanaki heeft nog geen badkamer. Ik keer haast triomfantelijk terug, alsof ik net een tijger verjaagd heb, maar niemand is nog geïnteresseerd. Wel vraagt mijn oudere zus of ik haar toe wil voegen op Facebook.

De lunch is klaar. Ik zie een tafel afgedekt met folie en een zwerm vliegen er omheen alsof dit een Unicef reclame over Ethiopië is. De vliegen raak je btw snel aan gewend. Wel sluip ik achter het huisje om, om te zien hoe ze nu precies kookt. Het is me nog steeds een raadsel. Ik zie alleen een opgezet rek met allemaal pannen en stenen. Geen bron van vuur te herkennen. Maar ja, ik kan in m’n eigen keuken niet eens het vuur vinden. Op de bank heeft mijn ondeugende neefje al vast een bord genomen. Hij stopt de rijst vrolijk in zijn mond en wil ook mijn nichtje voeren, maar die kent met haar twee jaar al de regels. Gasten eten eerst. Kort daarop word ik uitgenodigd. Het voedsel is verrukkelijk. Ik heb dan al bij het Hilton en bij het Grand Oriental Hotel Sri Lankaans gegeten en in beide gevallen was het niet zo smaakvol als hier. Witte rijst met gele curry. “Is het niet te scherp?” vraagt Yanaki onzeker. Nee, het is precies goed. Kip, zoals kip bedoelt is; geen piepkuikenvlees te bekennen. Gepekelde groenten, verrassend genoeg gewoon wortel, sla en snijbonen. Er zijn zelfs aardappelen, alsof we Nederland nooit verlaten heben. Een zoetwater vis is gefrituurd. Ze konden niet zeggen welke vis het was maar het smaakte als iets waar ik verslaafd aan kon raken. Misschien toch iets met moeders die koken? Het gezelschap kijkt toe hoe Asanka, mijn moeder en ik het eten nuttigen met de hand. Er zit een techniek achter. Je prakt de rijst samen met de saus tot een kleine bal en gebruikt je duim om het in je mond te schuiven. Ik laat alles uit m’n vuist vallen alsof ik een aap ben met motorriekstoornis, maar Yanaki schroomt niet en douwt het eten bij me in de mond. Even onwennig en dan accepterend van haar daad van moederschap eet ik uit haar hand. Het dringt me in dit moment door hoe vreemd die hand voor me is. Hoe vreemd eten met mijn handen is. Ik geniet alsnog en probeer de balans te vinden tussen het hele buffet leegvoederen en beleefd wat over te laten voor de anderen.


Ik wil benadrukken hoe liefdevol alles is tot nu toe. Een andere oom is uit het dorp gekomen om me te zien. Hij heeft de liefste, breedste glimlach ooit. Meer dan knikken delen we niet met elkaar, maar het zit goed. Zijn kinderen, twee meiden en een jongen, zijn er ook. Alledrie zijn ze redelijk breed en mijn zusjes maken daar openlijk grapjes over. De jongen, misschien net puberend, lacht vriendelijk naar me en steelt zelfs een portret van mij dat ik aan m’n moeder heb gegeven. Dat hij blij is om mij te zien blijkt later als hij me een twee liter cola fles geeft uit zijn vaders winkel. De twee nichtjes zijn verlegen maar willen later uitgebreid met me op de foto. Er komen meer mensen. Een jong meisje met een jonge dochter die in het huis verderop wonen (getrouwd met de afwezige zoon van mijn oom, volg je het nog?). Twee oudere buren die Yanaki al die jaren hebben gesteund komen later. Zij ziet er oud uit maar de emotie in haar ogen verraad dat ze lief en leed gedeeld heeft met mijn moeder. Hij is zo stug als het maar zijn kan en blijft in eerste instantie op een afstand. Zijn strenge contouren maken hem enger dan hij is, want ook hij pakt later goedschiks mijn hand vast. Een niet te uiten gevoel van dankbaarheid kruipt naar boven. Deze mensen hebben voor mijn familie gezorgd zoals ik dat nooit heb gedaan. Dan zijn er nog twee jongens, een broer en een vriend van de afwezige man van Paramali die momenteel in Qatar werkt. Hij is daar timmerman en eens in de twee jaar krijgt hij drie weken vakantie om mijn zusje en zijn dochtertje te bezoeken. De nieuwe scooter en de Galaxy Tab vertellen me dat het werk in Qatar een gunstige financiele oplossing is, al is het een offer. De twee jongens zijn breder en ouder dan ik en ze blijven gedurende mijn bezoek aan de zijlijn. Maar zo zie je, dat de halve familie is uitgetrokken om me te zien.

Parimali vertelt dat ze zich vroeger droevig voelde in school terwijl anderen praatte over hun jongere broertje omdat zij wist dat zij er ook een had. Ze was twee toen ik geboren werd. Elke keer als iemand van de organisatie kwam vroegen mijn moeder en zij wanneer ik zou komen en ik kwam maar steeds niet. Daarom, vertelt ze, geloofde ze vandaag ook niet dat ik echt zou komen. Ik voel me schuldig als ik denk aan alle keren dat ik de notie heb afgewezen om ooit te komen. Maar als ze vraagt hoe ik het vind om hier te zijn antwoord ik eerlijk dat ik het fijn vindt, maar ik geen gemis voel over het leven hier. Ze knikt vriendelijk. Ik heb dezelfde ogen en neus, maar de rest van haar bouw lijkt op Yanaki. Het was haar gezicht waar ik jaren geleden van schrok toen ik een foto zag. De gelijkenis is zo sterk. En voor iemand die nooit iemand is tegenkomen waar hij enige gelijkenis mee zag in fysieke kenmerken, was die foto overweldigend genoeg om hem nooit meer te bekijken. De rest van de middag delen we betekenisvolle blikken en bekijken we de fotoboekjes die Yanaki al die tijd heeft bewaard. Ik spreek nauwelijks met mijn familie; niemand kan Engels. Parimali wilde altijd Engels leren zodat ze ooit met haar broer kon praten als die zou komen, maar het leven in het platteland van Sri Lanka leert je niet zo snel Engels. Dus met knikjes, foto’s en de willekeurige aai over elkaars rug zeggen we alles wat we kunnen zeggen. Ik zie in haar wat ik niet in de ogen van mijn moeder vond; mijn spiegelbeeld. Ondertussen ontpopt Yanaki zich als een grappige, vrolijke vrouw die niet stil kan zitten. Ze serveert thee en bananencake en ruimt op, terwijl ze haar kinderen commandeert en verontschuldigend lacht. Ze doet me denken aan de moeder die ik al deze jaren gehad heb. Die zit voor het eerst stil naast me. Voor nog een goed uur zitten we in een kring en praten we nauwelijks. De groep praat Singalees met elkaar en mijn moeder praat af en toe Engels tegen Asanka of Nederlands tegen mij. Ik zwijg zo veel mogelijk. Ik speel een beetje met mijn neefje, die een verslavende lach heeft. Ik kijk naar mijn twee zusjes die het duidelijk over mij hebben. Ik zie een van de honden die de zweren op zijn onderrug bijt. De vliegen die de wond op het knietje van mijn achternichtje bestrijken. Dulani gooit iets naar een kip die het huisje binnen wilt treden. Het is een andere wereld en toch is het onmogelijk om je niet thuis te wanen. De tijd verstrijkt. Wat is er te doen met zo veel mensen met wie je niet kan praten? Ik besluit dat het goed is geweest. Parimali wil eerst dat ik haar huis nog zie. En dus neem ik afscheid van iedereen. Voorbarig, want ze komen allemaal mee. Maar het stopt Yanaki niet om weer in huilen uit te barsten. En zo bevind ik me achterop de nieuwe scooter van mijn oudste zus terwijl Yanaki midden op het pad mij uitzwaait.

 
Parimali neemt me mee naar een afgelegen huis. Bij het afstappen van de scooter geef ik per ongeluk de hond een trap. Deze heeft geen zweren. Trots en toch zenuwachtig neemt mijn oudste zus me mee naar een stenenhuisje. De fundatie voor andere kamers ligt er, maar momenteel zijn er twee kamers af. Gebouwd met dezelfde rode bakstenen en bedekt met echte pannen. Ik moet in mezelf lachen als ik zie dat de slaapkamer een LG plasma TV scherm heeft met stereo installatie. Het is blijkbaar een familietrekje dat je arm leeft maar je alle elektronica gloednieuw koopt. Ook hier geef ik complimenten: ik ben ongelooflijk blij dat mijn familie niet in de krotten woont die ik zag in Colombo. Het signaleert dat iedereen hard werkt voor hun luxe. Het is misschien moeilijk te vertalen hoe rustig ik me hier voel. De lucht is hier niet adembenemend zoals in de hoofdstad en de natuur is ongerept. De grond is van de familie en de andere huizen behoren toe aan de brede broer van mijn afwezige zwager en zijn familie. De stevige jonge man, Pratheep heet hij, nodigt me uit om met zijn vriend in het midden van het erf op een groepje geverfde bankjes plaats te nemen in de schaduw van cashewnotenbomen. Het valt me op dat de vrouwen er om heen plaats nemen. Tijd voor mannenpraat blijkbaar. De twee gozers ontpoppen zich tot verlegen jongens die een beetje Engels kunnen, van hun tijd in Dubai, nieuwsgierig zijn naar mijn drankvoorkeuren, of ik een vriendin heb (ik drukte “volgende”) en hoe ik woon. Zelfs deze kerels zijn enthousiast dat ik er ben en ik ben slechts aangetrouwde verre familie. We blijven nog eventjes zitten en proberen te praten zo ver dat kan. Mijn neefje heeft het woord “uncle” geleerd en roept het uitdagend terwijl hij aan de achterkant van mijn bankje hangt. Zo leven, met de hele familie op loopafstand, een gemeenschap die voor elkaar klaarstaat en bijna alles heeft wat we in het westen ook hebben, is geen straf. “I think I could have lived here” zeg ik, tegen niemand die het verstaat. Ik was altijd bang dat ik in de oorlog terecht was gekomen als ik niet geadopteerd was. Maar misschien was ik dan gewoon hier geweest. Net als dit kleine jochie, baldadig rondrennend, en later als deze jongens, hard werkend in een shop in de buurt of in een rijke oliestaat. In ieder geval zou ik geen Game of Thrones kijken of schrijven als een overlevingsmechanisme, maar hoe gelukkig zou ik zijn?

De laatste keer afscheid nemen is even ongemakkelijk als de eerste begroeting. Terwijl we naar het busje lopen roept mijn oudere zus mijn naam alsof ze dat al jaren doet. Ze gebaart of ik rustig wil lopen, zoals elke vrouw altijd als ik met ze loop. Aan mijn arm vraagt ze in haar beste Engels wanneer ik weer terugkom. Ik stamel. Ik wil zeggen dat ik niet van plan ben om terug te komen. Maar dat heb ik mezelf eerder voorgehouden. Ik geef toe dat het financieel moeilijk is. Of ze de motivatie accepteert is niet duidelijk. Het enige wat ze uitbrengt, met een gebroken, zachte stem van verdriet, is “please come back”. We zeggen gedag tegen iedereen, op m’n nichtjes na, die krijgen een lift mee naar de shop. Yanaki wrijft nog een keer over mijn gezicht als ik in de auto zit. Terwijl het busje wegrijdt zie ik haar in de zijspiegel, de filmische vertelling van afscheid bij uitstek. De weg voor mij uit ziet er weer uit als de laatste shot uit The Jungle Book. Dan kruisen Pratheep en zijn maat ons op een scooter. Ze zwaaien alsof we ze elke dag zien. Het was een bijzondere ontmoeting, zeker, en in mijn hoofd plan ik al dat ik voor het einde van deze trip nog eens terug ga. Niet per se voor mijzelf maar voor hen. Ze hebben geleefd met de wetenschap dat ik er ben, als een missend puzzelstuk. Zonder is het leven ook een volledig plaatje maar toch mis je een stukje. Ik hoopte dat deze ontmoeting mijn puzzel zou oplossen. Maar wie je bent is pas duidelijk als je ontdaan bent van al je fantasieën. Dit leven, deze mensen, deze dag, voelt als een extra fantasie. De fantasie van een gemeenschap, altijd warm weer en dagelijks fruit in plaats van noodles. Maar dit is een fantasie die nooit realiteit zal worden. Ik werp een blik over mijn schouder. Mijn moeder zit zwijgend op de achterbank, de indrukken verwekend. Iets zegt me dat het deze dag niet om mij draaide.

Misschien vraag je je af wat Yanaki vertelde over mijn vader. Nou, die leeft nog en woont in de buurt van Paramali. Maar dat is een ander verhaal…

*Correcties: Een eerdere versie van dit verhaal beschreef Kate als Brits, maar ze is Iers en Ajith is de naam van mijn zwager, zijn broer heet eigenlijk Pratheep.

Advertisements

3 comments

  1. Na gisteravond kort met je gesproken te hebben, vlak voor Millenial Matters, was ik nieuwsgierig geworden naar jouw website. Wat kan jij mooi schrijven zeg. Het voelde alsof ik van een afstandje zat mee te kijken, zoals bij een film. Ik ben oprecht onder de indruk van jouw verhaal en hoe jij je inzet voor de ideale wereld!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s